Elfje: Poezelig
POEZELIG
ZACHTE POOTJES
MET SCHERPE NAGELS
KRASSEN IN MIJN HOOFD
KATER
Meer dan lief
ik mag het niet
je lippen strelen
maar ze zijn me lief
zó lief.....
hoe ze vurig
hartstocht blussen
letterstromen vangen
tot één liefdeswoord
de dans ontspringt
strakke lijnen
in je wangen
laten krullen
tango's zwieren
als je liedjes zingt
hoe ze klemmend
schreeuwen binnensluiten
om wat pijnlijk
in je lichaam woedt
voor elk afscheid
lieflijk tuiten
in verzwijgen
hoe het verder moet
meer nog dan lief
zó lief.....
als vannacht
je lippen stilte spreken
woorden niet genoeg zijn
of teveel
dan zal ik ze zachtjes
even strelen
éven maar
heel onverwacht
en als altijd
zul je zeggen
dat het kriebelt
en je lacht
Elfje: Stralend
STRALEND
GOLVEND ZONLICHT
IN WATERVAL GEVANGEN
GEBROKEN TOT KLEURIGE LINTEN
REGENBOOG
~~~~~~~~~~~~~~~~ Carpe diem ~~~~~~~~~~~~~~~~
hoe dapper jij
op kousenvoetjes
door het leven struint
of even stilstaat
om te bukken
ach, kon ik net als jij
de dag nog plukken
de wereld met mijn ogen
laten stralen
hoeveel zachter
dan een veer
zou dan een voetstap zijn
en hoe lichtvoetig
de verhalen
als ik grenzeloos
mijn reizen
nog kon kiezen
ik wilde nooit
het kind in mij verliezen
maar de sporen
die ik achterliet
passen allang niet meer
Sneeuw
Kleurrijke vogels
schrijven een sprookje
in wonderlijk braille
Over dansende feeën
die de aarde belagen,
donzige schapenkoppen
op neerbuigende halmen
en vurige appelkabouters
met witte puntmutsjes
Verwonderd en gretig
verzwelg ik de zinnen
begroet koning Winter
met tintelende vingers
tot het einde weemoedig
in pekel verdwijnt
~~~~~~~~~~~~~~~~ Soldaatjes ~~~~~~~~~~~~~~~~
Zijn leger uitgestald
alsof het elk moment
ten aanval gaat
Voorzichtig
loop ik er omheen
ontwijk sabels
en geweren
stel oorlog uit
tot morgen
Flitsend (on)genoegen
op een cadans van kilometers asfalt
voert ze de blower naar zijn hoogste stand
ze ziet zijn handen strak het stuur omklemmen
als ze heel onverwacht in zachte berm belandt
ze tart met lust de flitspaalmaniakken
terwijl haar duivelin zijn staal bestuurt
en pompend remt ze op de hoogste punten
tot hij geen enkele drempel meer verduurt
tot barstens toe zal zij de tank weer vullen
zijn motor kookt het stomend heet genot
terwijl zijn benen, zwaar geschokt, zich strekken
berust het gaspedaal neerbuigend in zijn lot
Misstap
Hoe licht ze nog
de boze wereld binnentrad
niet wetend hoe ze zich verliezen zou
in wat door het verleden werd bepaald
en hoe naïef
ze al haar zekerheid vergat
wat toen ze wijzer was
met schuldgevoel werd terugbetaald
Haar leven
zou een andere wending nemen
bedachtzamer
en meer bekritiseerd
tot ze van liefde en vertrouwen
de werkelijke waarde had geleerd
~~~~~~~~~~~~~~~~~ Dromen ~~~~~~~~~~~~~~~~~
gedachten in beelden
onuitgesproken nog
en onbeschreven
tot ze in tekens
van taal
gekluisterd worden
aan het leven
en dan sterven
in bedrog
Balancerend
Zwaar zijn de uren die zij niet verwachtte
als er een felle storm naar binnen jaagt
die haar met stil verdriet en angst belaagt
en haar ontmenst in pijnlijke gedachten
Licht zijn de uren die de bronnen vangen
van elke gouden zon die zich vertoont
alsof ze in een zonnehemel woont
een paradijs van tomeloos verlangen
Maar hoe de meeste uren ook verstrijken
nog in het oude jaar ontluikt haar lach
als een ontmoediging voor elke slag
waarbij de weersgesteldheid zwaar zal blijken
Ze bidt zich paradijselijke uren
en laaft zich aan de warmte en het licht
zodat de prille lach op haar gezicht
voortaan de felle stormen kan verduren
Dat nieuwe jaar voelt zij zich heel bijzonder
alsof er niets is dat haar rust verstoort
tikken de uren ongemerkt voort
en vindt ze evenwicht als in een wonder
******************* Kerstbericht *******************
En koud, zó koud
vind ik het arme beest
verborgen
onder knisperend blad
voorzichtig strijk ik
't lijfje glad dat ooit
zo stralend is geweest
maar nu vervaald
tot warrig grijs
getuigt van een
te hoge prijs
door hem betaald
De vredesduif
wellicht verdwaald
die roerloos
in mijn tuintje ligt
als onheilspellend
kerstbericht
Gedeelde smart
En hij...
Hij draagt de waanzin
gegijzeld door het lot
en witte woedevuisten
slaan ravijnen in zijn hart
en muren steeds kapot
En zij...
Zij sterft de doodsangst
gegeseld met het leed
en rood omrande ogen
huilen zeeën in haar hoofd
waar ze geen kust voor weet
Maar God...
Hij ziet het lijden
en draagt met hen het kruis
en lopend over water
sjouwt Hij stenen naar ze toe
en bouwt een sterker huis
~~~~~~~~~~~~~~~~~ Wel-licht ~~~~~~~~~~~~~~~~~
was de dader
maar een dichter
dan had hij
zijn haat verwoord
en kon hij
zijn woede uiten
had hij niet
hoeven besluiten
tot zo'n laffe moord
was de dader
maar een dichter
dichterslevens
zijn wat lichter
Misplaatst
Stoeiend, achter deuren
tot genot
Het Grote Gebeuren
-zoveelste poging tot-
Het leuren…
Wat een onding!
Scheur kapot!
Ik wíst dat ’t misging
Oh, gruwelijk dichter-
slot!
~~~~~~~~~~~~~~~ Dansend kind ~~~~~~~~~~~~~~~
dansend kind
wervelwind
met je Isisvleugels
jong, ontluikend
schuddebuikend
vier je vrij de teugels
rinkelrokkend
toverlokkend
laat je heupen wiegen
om al spelend
ogenstrelend
van me weg te vliegen
~~~~~~~~~~~~~~~~ Dichter(bij) ~~~~~~~~~~~~~~~~
de taal beroerd
door spinsels
van een dichter
die onbevangen zich
ontvouwt voor lezers
zoals ik
wanneer ik koesterend
in het puurste ogenblik
zijn ziel ontbloot uit
saamgevlochten woorden
en hij de snaar raakt
van een geestverwant
als ik
Loslaten
Ik brak de stenen
zie ik nu
veel sneller
dan jij bouwen kon
veroverde de ruimtes
die jij gesloten dacht
ontwortelde jouw vrijheid
en blind voor wat jij voelde
dat het jou benauwde
en jij niet verder kon
was ik bijna verdronken
in jouw diepste gracht
De kou vernevelt kleuren
in het stilzwijgende water
en ik laat ze niet meer komen
de duizend vragen
die er zijn
waarop ook jij
geen antwoord kent
Maar gooi niet weg
wat mooi was
zeg dat het niet gebeurt
dat het niet zo zal zijn
dat ik je stem verlies
ik wil nog met je praten 
dat je soms bij me bent
zodat dat jouw verf
af en toe
mijn leven even kleurt
Nachtwandeling
Genesteld in de kussens van het schommelbankje
dat me zacht wiegend terugvoert naar het zomerstrand
schrik ik plots wakker van een doodgewaande kikker
die met zijn glibberlijf tegen mijn been belandt
Ik buig me naar wat afgevallen rozenblaadjes
rangschik de kleinoden voorzichtig in mijn schoot
en streel de zachtheid van de teruggevonden schatten
die overbleven na een lijdelijke dood
En tenenlopend over het paadje naar de vijver
kronkelt een spinnenweb zijn sporen op mijn rug
maar op excuses voor dit nachtelijk verstoren
zeggen de arme vluchtelingen niets terug
In het voorbijgaan tik ik tegen dorre stengels
de zaadjes ritselen alsof het regen is
ik lach meelevend om dat muzikaal gejammer
terwijl ik hen bevrijd uit hun gevangenis
Ik speur naar glinsterende windes in het water
die stiekem jagen bij het schijnsel van de maan
en met een takje roer ik kabbelende golfjes
daar waar ik aan de oever even stil blijft staan
Met zachte hand pluk ik het allerlaatste vruchtje
van mijn gekoesterde maar toch beroofde druif
geheel vakkundig door de merels leeg gegeten
die samenspanden met een hongerige duif
Dan werp ik nog een laatste blik in het oneindig
vlakbij de keukendeur waar ik nog even wacht
de wind speelt pakkertje met herfstanemonen
en laat hun wulpse rokjes dansen in de nacht
Ik hoor hoe ruisend hoge grassen naar me knikken
en zwaai verrast nog even stiekem naar ze terug
totdat het nachtelijke groeten overstemd wordt
door 't scherpe gonzen van een allerlaatste mug
Terwijl ik afscheid neem van al wat me zo lief is
vangen mijn lippen regendruppels uit de lucht
dan zucht ik diep voordat ik na mijn nachtelijk rondje
doorweekt en door de kou verkleumd naar binnen vlucht
Revanche
Gisteren
kwam ik je tegen
jij die me ooit
in een koude winter
mijn lief afnam
met je mooie praatjes
en je zomerzongezicht
Nooit vergat ik
hoe je pochte
over het hete bad
waarin hij die dag
op je wachtte
hoe wreed je mij
met wit gelaat
verbijsterd achterliet
verslagen
omdat ik niet eens
een douche had
laat staan een zonnebank
Gisteren
kwam ik je tegen
rimpels alom
in je grauwe
door het baden
verweekte vel
gebukt onder zijn last
van lege tassen
en niets meer te vertellen
liep je mij
nee, liep je óns voorbij
Ik twijfelde nog
of ik je zou laten struikelen
maar je was allang gevallen
~~~~~~~~~~~~~~~~~ Conclusie ~~~~~~~~~~~~~~~~~
JIJ WAS VEEL VERDER
DAN DE AFSTAND
EN IK VEEL EENZAMER
DAN ZONDER JOU
WE KONDEN NIET VASTHOUDEN
MAAR OOK NIET LOSLATEN
EN WE RUIMDEN HET PUIN
VAN EEN TOREN
DIE GEBROKEN WAS
OVERBRUGDEN DE JAREN
VAN AFZIEN
TOT IK JE VOND
IN EEN WONDERLIJK BESEF
VAN ZIELSVERWANTSCHAP
Onteerd
Als woorden Gods dan door het zieke brein
geketend worden aan de valse zinnen
zal hij haatdragend steeds opnieuw beginnen
een kruistocht tot vergelding van de pijn
En als zijn geest beneveld door de wijn
de zware strijd met God niet meer kan winnen
zal hij helaas nog slechts zichzelf beminnen
door in die hel zijn eigen god te zijn
Maar als het leed door dageraad verdreven
zich schuilhoudt in de luwte van het bos
zal hij ontnuchterd in een spiegel staren
Met het ontkroonde hoofd nog opgeheven
ziet hij zijn schaduw liggen in het mos
de dodelijke, godvergeten jaren
Vragen
God heeft geen antwoord
op de honderdduizend vragen
en dan is er de stilte
waarin de pijn ondraaglijk wordt
en in een bodemloze put
de tranen worden uitgestort
God heeft geen antwoord
op de honderdduizend vragen
er is alleen de stilte
waarin de wond de ziel verscheurt
en tot een diep en ernstig zwart
het hart in wanhoop wordt gekleurd
God heeft geen antwoord
op de honderdduizend vragen
hij slaat alleen in stilte
zijn armen troostend om ons heen
want in het diepst van ons verdriet
laat hij ons nooit zomaar alleen
Zoek niet het antwoord
op die honderdduizend vragen
elk sterven heeft een reden
zelfs als de dood zo zinloos lijkt
ons aards bestaan is slechts de weg
naar een prachtig, eeuwig hemelrijk
~~~~~~~~~~~~~~~~ Doopgedicht ~~~~~~~~~~~~~~~
Toen ons geluk
In jou vertegenwoordigd werd
En elke glimlach,elke traan
Verheerlijkt nog als wonder
Was het geheel van alledag
Een beetje meer bijzonder
Zo puur, volmaakt en levensecht
Geen stap gemaakt
Geen woord gezegd
Nu jouw bestaan
In woorden opgetekend is
En elke dag, elke minuut
De aanvang van jouw reizen
Word jij gezegend door Zijn hand
Die jou Zijn weg zal wijzen
Zo puur, volmaakt en levensecht
Zijn pad gemaakt
Zijn doel gezegd
Als jouw verhaal
Ooit tot een boek geworden is
En elke bladzij, elke zin
Gekleurd is door het leven
Vergeet dan niet dat 't eerste blad
Door God ooit werd geschreven
Zo puur, volmaakt en levensecht
Jouw stem gemaakt
Jouw naam gezegd

Gouden Bruiloft
Waarom men vijftig huwelijksjaren
verbindt aan 't stoffelijke goud
is iets om over na te denken
als men zolang is getrouwd
Gedolven uit 't diepst der aarde
soms ook uit wateren gezeefd
dat wat zeldzaam wordt gevonden
daar wordt vreugde aan beleefd
Goud zo glanzend, zacht en zuiver
nooit verkleurd, verweerd geweest
staat symbool voor 't spirituele
voor de zon en voor de geest
Goud is een van de geschenken
voor het pasgeboren kind
opdat het z'n eigenwaarde
kostbaarheid en rijkdom vindt
Als de tand des tijds doorstaan werd
en men is nog steeds getrouwd
dan heeft dat dezelfde waarde
als dat schaars gevonden goud
Een lang huwelijk is ook rijkdom
kostbaar en niet algemeen
hoe het intens glanzend voortduurt
zelfs door woeste tijden heen
Zacht en zuiver, nooit verwerend
door de jaren niet verkleurd
opgebouwd met eigenwaarde
zoals 't zeldzaam nog gebeurt
Zoveel jaren al tesamen
is een Godsgeschenk geweest
met een niet te schatten waarde
van 't begin tot aan dit feest
Het is bijna toch een wonder
al een halve eeuw getrouwd
het is daarom dat zo'n huwelijk
wordt getooid met kostbaar goud
~~~~~~~~~~~~~~ Herfstbeelden ~~~~~~~~~~~~~~
De bloementuin in poederige tinten
verdwaalt tussen het bronsverkleurend blad
In ochtenddauw is ragfijn draad gesponnen
herinneringen in patroon gevat
Het najaar koelt de bijna zoete vruchten
behoedzaam nog door lauwe grond gestreeld
De gulle takken reiken naar de aarde
waar het verlangen plagend wordt bespeeld
De paddenstoelen rijgen kralenslingers
in vochtig mos dat hun verbond verzwaart
En ongeroerd, door werkeloze handen,
wordt de voorbije tijd voorgoed bewaard
Het zilver schittert onder oude bomen
wanneer de wind de ijle kruinen kust
En in de takken kwetteren de vogels
gelaten wachtend op hun winterrust
De rijke grond, bezwangerd van de zaden,
bewaart beloftes voor het volgend jaar
De tuin, zacht geurend, weeft weemoedig dromen
om de beelden die ik graag bewaar
Dichtend luwde ik stormen in mijn hoofd, afstand nemend, verwerkend tot emotieloos.
