Meer dan lief
ik mag het niet
je lippen strelen
maar ze zijn me lief
zó lief.....
hoe ze vurig
hartstocht blussen
letterstromen vangen
tot één liefdeswoord
de dans ontspringt
strakke lijnen
in je wangen
laten krullen
tango's zwieren
als je liedjes zingt
hoe ze klemmend
schreeuwen binnensluiten
om wat pijnlijk
in je lichaam woedt
voor elk afscheid
lieflijk tuiten
in verzwijgen
hoe het verder moet
meer nog dan lief
zó lief.....
als vannacht
je lippen stilte spreken
woorden niet genoeg zijn
of teveel
dan zal ik ze zachtjes
even strelen
éven maar
heel onverwacht
en als altijd
zul je zeggen
dat het kriebelt
en je lacht
Misstap
Hoe licht ze nog
de boze wereld binnentrad
niet wetend hoe ze zich verliezen zou
in wat door het verleden werd bepaald
en hoe naïef
ze al haar zekerheid vergat
wat toen ze wijzer was
met schuldgevoel werd terugbetaald
Haar leven
zou een andere wending nemen
bedachtzamer
en meer bekritiseerd
tot ze van liefde en vertrouwen
de werkelijke waarde had geleerd
Loslaten
Ik brak de stenen
zie ik nu
veel sneller
dan jij bouwen kon
veroverde de ruimtes
die jij gesloten dacht
ontwortelde jouw vrijheid
en blind voor wat jij voelde
dat het jou benauwde
en jij niet verder kon
was ik bijna verdronken
in jouw diepste gracht
De kou vernevelt kleuren
in het stilzwijgende water
en ik laat ze niet meer komen
de duizend vragen
die er zijn
waarop ook jij
geen antwoord kent
Maar gooi niet weg
wat mooi was
zeg dat het niet gebeurt
dat het niet zo zal zijn
dat ik je stem verlies
ik wil nog met je praten 
dat je soms bij me bent
zodat dat jouw verf
af en toe
mijn leven even kleurt
Revanche
Gisteren
kwam ik je tegen
jij die me ooit
in een koude winter
mijn lief afnam
met je mooie praatjes
en je zomerzongezicht
Nooit vergat ik
hoe je pochte
over het hete bad
waarin hij die dag
op je wachtte
hoe wreed je mij
met wit gelaat
verbijsterd achterliet
verslagen
omdat ik niet eens
een douche had
laat staan een zonnebank
Gisteren
kwam ik je tegen
rimpels alom
in je grauwe
door het baden
verweekte vel
gebukt onder zijn last
van lege tassen
en niets meer te vertellen
liep je mij
nee, liep je óns voorbij
Ik twijfelde nog
of ik je zou laten struikelen
maar je was allang gevallen
~~~~~~~~~~~~~~~~~ Conclusie ~~~~~~~~~~~~~~~~~
JIJ WAS VEEL VERDER
DAN DE AFSTAND
EN IK VEEL EENZAMER
DAN ZONDER JOU
WE KONDEN NIET VASTHOUDEN
MAAR OOK NIET LOSLATEN
EN WE RUIMDEN HET PUIN
VAN EEN TOREN
DIE GEBROKEN WAS
OVERBRUGDEN DE JAREN
VAN AFZIEN
TOT IK JE VOND
IN EEN WONDERLIJK BESEF
VAN ZIELSVERWANTSCHAP
Dood door schuld
Ze hoort het moedeloze aan
van in het nauw gedreven leed
het ongelooflijk ongeloof
voor alles wat hij deed
Ze schreeuwt het radeloze uit
van in de knel geraakte pijn
het angstaanjagend angstgevoel
voor wat hij niet kon zijn
Ze schopt het machteloze weg
van in de kiem gesmoord verdriet
het onbegrepen onbegrip
voor wat hij achterliet
Zo sterft ze dagen achtereen
om te begraven wat ze had
brekend, al wat breekbaar is
al wat ze ooit bezat
~~~~~~~~~~~~~~~~ Lentewens ~~~~~~~~~~~~~~~~
laat me jouw lente zijn
en nooit meer
zonder liefde
je winterluiken
sprankel ik
vol kleuren lucht
en licht
en als je vlucht
dan dartel ik
mijn tere bloesems
op je huid en streel je
ogen dicht
laat me toch lente zijn
en nooit meer
zonder jou
ontluikend zal
mijn middagzon
je zoete kussen
stralen
en intussen
zoem ik dan
de luchtkastelen
uit je hoofd en fluit je
mijn verhalen
oh, laat me lente zijn
jouw lente
liefde zijn
dan zal ik in je
nestelen
en broed jouw
zomers uit!
~~~~~~~~~~~~~~ Zinloos gedicht ~~~~~~~~~~~~~~
vandaag wil ik
geen dichter zijn
gedachtelozer,
lichter zijn en zonder
woordendwang
mijn hart breekt nu
in iedere zin
ik graaf me alsmaar
dieper in mijn eigen
dichtersgraf
als straf voor 't
oeverloze denken
het haten en het krenken
de weemoed en de tranen
in mijn hoofd
ik staak het
verwarring stichten
in ongrijpbare gedichten
en geloof
dat ze mij dan
niet meer deren
ach hoe sneu is 't dan
te leren dat het dichten
immer weer
toch het denken
achterhaalt en zoals
zovele keren zal ik
triest gedachten lezen
die ik ongemerkt
al had vertaald
Ik heb op je gewacht
ik heb op je gewacht
misschien
om je gezicht
dat ik al was verloren
of om je stem te horen
hoezeer het in jou schuilt
te weten of je huilt
om dat wat in gedachten
al zo lang ligt bevroren
ik heb op je gewacht
misschien
niet lang genoeg
om woorden uit te spreken
die zonder taal of teken
in ogen zijn te lezen
de pijn die mij doet vrezen
dat wat ik niet meer
denken wil zal breken
ik heb op je gewacht
en traan na traan zie ik
wat niet meer zichtbaar is
Zolderopruiming
op mijn zolder huist een kwast
en die schildert al dat grauwe
en dat nooit vergeten ouwe
tot een kleurrijk mengpaneel
'k hou hem daar nog even vast
en ik laat hem rustig bouwen
aan mijn nu nog onbehouwen
aquarel van't luchtkasteel
aanstonds vormt zich alle last 
tot een machtig schilderij
'hier sta ik' en 'daar sta jij'
alles keurig in 't gareel
****************** De pijn gevoeld *****************
De pijn, gevoeld
tot in de nerven van het zijn
heeft alle cellen uitgehold
tot lege kamers zonder ruimte
voor liefde noch voor haat
het legt de klanken in een mond
die niet meer spreken wil
de onmacht machteloos verwond
tot zinnen zonder taal
En zo gedreven door hetgeen
wat niet meer eigen is
stoot het meer af
dan het behouden laat
Het deert niet meer
Het ligt verborgen achter flinterdunne kleuren
Het grijze weggevaagd door een nog stoffig blauw
En in de ochtendnevel geurt de zoete aarde
Als bloesems openvouwen dat ik van je hou
Het is verdronken in de opgedroogde parels
De nachten uitgedauwd in lome dageraad
En in de middagwarmte kleurt de tijd de waarde
Omdat de zon verlangend aan de hemel staat
Het deert niet meer, de dagen zullen lengen 
De lente wordt verwelkomd met gelach
En in de avondluwte streelt het fijnbesnaarde
Wanneer de merels zingen van de gouden dag
~~~~~~~~~~~~~~~~~ De schelp ~~~~~~~~~~~~~~~~
Na de storm
die sporen achterliet
raap jij de schelp
Je spoelt het zand
dat in haar huist
met liefde weg en zilte tongen
wassen zacht haar wonden
Je hebt haar teruggevonden
waar je haar steeds weer
zult verliezen
Tot je haar meevoert
op de golven van jouw rust
De zee
die heelt, de duinen kust,
zal keer op keer
de schelp verkiezen
De ondergang
Eens was hij nog het schip waarop ze voer
en waar ze deinde op immense zee
hij zocht er nooit een eiland voor hun twee
ze werd in eenzaamheid gekluisterd aan het roer
De lading in zijn ruim was altijd zwaar
maar toch werd er geen diepe grond geraakt
en in zijn voegen had het nooit gekraakt
haar stem verstomde hij in ongekend gevaar
Ze vocht met zeemeermannen op het dek
verscheurde tere vleugels van een meeuw
die haar des duivels maakte met geschreeuw
wanneer de haaien kwamen klauwen in haar nek
Hij stormde helse winden in haar hoofd
en hagelstenen smeet hij in haar maag
verdrinken in zijn ogen zag hij graag
want in haar vaarbewijs had hij nog nooit geloofd
En nu genageld aan de staken van zijn mast
draagt hij de resten van haar boetekleed
Oude stenen
Vind ik de ramen
telkens weer
in geblindeerde staat
de deur
die nooit meer open gaat
hoe vreemd is dan
dat wat ik haat
soms toch zo dierbaar is
Ik weet het wel
het neemt geen keer
jij moest een bouwval maken
en wat het broze hart kon raken
bleek slechts een luchtkasteel
niet meer
Hoe vreemd is dan
dat wat ik haat
soms toch zo dierbaar is
En dat wat nu ruïne is
het leven lijden laat
****************** Het was koud ******************
Het was koud toen hij stierf
en haar achterliet
Ze treurde de tijd voorbij
zorgzaam getroost
door wie haar liefhad
Ze ruimde zijn verdorde blad
de kleuren verpulverend
tot herinnering
En ze wachtte op de warmte
van de eerste zonnestralen
en haar lach
Maar ze miste zijn knoestige handen
die haar hadden geliefkoosd
bij elke najaarsstorm
Het vertrouwde ruisen van zijn stem
als hij haar in winternachten
in zijn armen wiegde
Ze miste het voorjaar
en zijn eens zo statige stam
waar ze altijd tegen leunde
En voor de eerste zomer kwam
klom ze naar zijn takken . . .
Dichtend luwde ik stormen in mijn hoofd, afstand nemend, verwerkend tot emotieloos.
